Lies Dekoninck-Leppens kent de verhalen uit twee werelden.

april 2016

 

In Bergeijk kan Lies Dekoninck(94) verhalen vertellen die over meerdere generaties heen gaan. Ze schakelt moeiteloos van het beging van de twintigste eeuw, toen haar grootvader met sterke verhalen uit Postel terugkwam, naar haar kleinkinderen die in 2016 vertellen over hun kroost.

Vanuit een makkelijke stoel op de tweede verdieping van het Hofhuis kijkt ze uit over het deel van Bergeijk waar ze altijd woonde: het Hof. Op tafel toont een leeg ontbijtbord de sporen van de ochtend, op tafel ligt een van de twee kranten die ze nog dagelijks leest.

In haar gezicht zijn de lijnen uit haar leven af te lezen. De groeven die het leven daarachter liet zijn te mooi om ze rimpels te noemen. Elke lijn lijkt een eigen verhaal mee te dragen en die verhalen vertelt ze weer moeiteloos verder. Luisterend naar Lies Leppens heb je geen enkel moment het gevoel dat het geheugen haar in de steek laat. De verhalen schieten wel snel van de ene naar de andere generatie, maar dat is voor te stellen.

‘Mijn opa kwam altijd thuis met sterke verhalen over Postel, waar hij toezag op het malen van het graan. Als hij dan vertelde over de boeren die onderweg van hun opbrengst de kroeg in doken en zonder geld of goed terugkwamen, lachten wij daar om. Niet beseffend dat er altijd een drama achter zon verhaal schuilging.’

Lies had in het gezin Leppens te maken met vier oudere broers. Ze hadden thuis een winkel en ze moest daar vanaf de crisisjaren in meewerken. Ook toen de oorlog uitbrak werkte ze daar. ‘Du Bist ein hubsches madchen’ kreeg ze dan van de Duitse soldaten te horen. ‘Ik bleef mezelf en als het al te erg was zette ik een fles drank op de toonbank,’ zegt ze terugblikkend. De soldaten bestelden er pakketten voor hun thuisfront, ik moest die mee samenstellen en versturen.’

Lies kende de ontberingen uit die periode ook uit hun eigen gezin. ‘Een van mijn broers was meegevoerd naar Duitsland. Bij de bevrijding kwam hij tussen het vuur van de Russen en de geallieerden terecht. Hij had ook nog Tyfus opgelopen en kwam vel over been thuis. We kenden hem nauwelijks nog. Toen kort na die oorlog een andere broer naar Indië moest en er met de nodige trauma’s van terug kwam, was het drama compleet. Ik probeerde uit de rauwe werkelijkheid te ontsnappen. Het zou weer een kermis zijn op het Hof en er kwam een danstent. Daar zag ik hem voor het eerst: Albert Dekoninck. Hij was niet van hier, dat zag je meteen. Hij vroeg me ten dans en we zwierden de hele avond over de dansvloer. Aan het einde van die avond wist ik het zeker: die laat ik nooit meer los. Kort daarna zijn we getrouwd.

Bij het huwelijk mochten onze broers niet getuigen, omdat hij de Belgische nationaliteit had. Daardoor werd de baas van Albert opgetrommeld, hij wilde dat wel doen.

We wilden in Lommel gaan wonen, waar Albert vandaan kwam, maar kwamen daar niet aan een woning. Toen zijn we maar enkele jaren bij mijn ouders ingetrokken, ik werkte daar ook nog drie jaar mee in de drogisterij. S-avonds en in het weekend kwamen de boeren daar aan de deur. Dan moest er weer met spoed een kraampakket samengesteld worden omdat er zich weer een kleintje meldde. Of de boeren kwamen met een rode zakdoek om hun hoofd van de kiespijn naar ons toe. Of we iets tegen de pijn hadden. Natuurlijk hielpen we iedereen vooruit. Je kende iedereen in het dorp en de wereld was klein en overzichtelijk.’

Lies en Albert zagen de jaren aan zich voorbijtrekken. De vijf kinderen die ze zelf kregen en alles wat een druk gezin met zich mee bracht. In al die jaren was er één vast jaarlijks ritueel: ze moesten zich elk jaar melden op de Nederlandse ambassade om te laten zien dat ze er nog waren. Lies had door haar huwelijk met een Belg de Belgische nationaliteit er gratis bijgekregen. Pas op haar tachtigste kreeg ze de kans om weer terug te keren naar de Nederlandse. Albert was er toen al niet meer waardoor ze er geen belemmering in zag.

‘O ja, Albert. Vanaf 1948 mijn grote liefde. Hij was keurmeester van meubeltjes en maakte zelf ook de mooiste dingen,’ Lies wijst op een mooie stoel in haar appartementje, waar ze de hand van Albert nog in herkend.

 Jongeren van zeventig

 ‘Toch is er veel veranderd,’ zegt ze mijmerend. ‘’Als ik door de straten van het Hof loop, zie ik zo de twee werelden voor me. Met mijn ogen dicht zie ik de drogisterij daar nog, maar als ik mijn ogen open, zie ik nu op dezelfde plek een speelgoedzaak. Ik geniet er nog van om een terrasje te pakken, ik deed dat altijd het liefst met iemand van min generatie. Maar ja: die kom ik daar niet meer tegen. Gelukkig ken ik ook veel mensen die jonger zijn dan ikzelf. Ook met jongeren van zeventig is het leuk om ouwe koeien uit de sloot te halen.’

Nu zijn haar eigen kinderen hun eigen weg gegaan en kijkt ze uit naar de bezoekjes van haar klein- en achterkleinkinderen. ‘Ze nemen me vaak mee naar buiten. Voor een bezoekje aan hen thuis of een wandeling. Als ik buiten kom zie ik allemaal zaken waar ik de hele geschiedenis van ken. Neem nu het hotel, hier tegenover het Hofhuis. Daar zaten de Bolsjewieken die bij weverij De Ploeg werkten. Ik zag het hotel veranderen: toen het goed liep wilde iedereen er zijn zakken komen vullen. Zo gaat het nou altijd. De mensen die het minste doen willen het hoogste loon opstrijken. Uiteindelijk blijft zoiets niet bestaan.

Lies is ervan overtuigd dat Bergeijk nu de echte hoogtijdagen aan het afsluiten is. ‘Wij hebben met burgemeester Driek van de Vondevoort de beste voorganger gehad die wij ons maar kunnen wensen. Iemand die bereid was echt naar de mensen te luisteren. Helaas zijn dit soort mensen zeldzaam.’

Op de plek waar Lies nu woont, ging ze negentig jaar terug ook naar school. Het was de tijd van de Mère en de Soeur, ofwel de nonnen.

‘Ik kwam er de Mère Prieur’ en o wat werden we er gedrild. Alles draaide er om de kerkgang, of je wilde of niet.’

In de herfst van haar leven overheerst nu de dankbaarheid. Ze volgt het nieuws van over de hele wereld, maar vooral dat van Bergeijk. Ze toont dagelijks haar dankbaarheid aan de verzorgers die haar omringen, ook al kan ze zich nog geheel zelf redden.

Lies Dekonick, geboren als Leppens. Een vrouw uit Bergeijk, oma en overgrootmoeder uit de Kempen. Ze vraagt zich nu af of ze later dit jaar de 95 jaar wel haalt, maar haalt zo’n actief iemand niet op haar sloffen de honderd?

 Kort na het gesprek voor dit verhaal overleed Lies. Ze bleef 94 jaar!